Veldverslag: lente breekt aan voor drie Russische berenjongen

April 2012. Drie bruine beertjes van een jaar oud hebben een halsband met satellietzender gekregen, zodat ze ook na hun vrijlating in Bubonisty, Rusland, kunnen worden gevolgd. In het opvangcentrum voor weesberen van het IFAW in Rusland worden weesbeertjes met de hand grootgebracht en zodra ze over de benodigde vaardigheden beschikken vrijgelaten om de rest van hun leven in het wild door te brengen.Onder de kleine blokhut weerklonk een harde brul. We verstijfden en ons hart ging sneller slaan. Het verblindende zonlicht op de sneeuw liet de schaduwen in het bos donkerder lijken: een clair-obscur van de wilde natuur van een afgelegen Russisch woud. De brul vertelde ons dat de pijl doel had getroffen, en dat er in het vroege voorjaar in Tver een beer was gewekt.

De benen van Sergey Pazhetnov kwamen vanonder de kleine hut geschoven, al snel gevolgd door zijn bovenlichaam en zijn hand met de blaaspijp. Hij en zijn zoon Vasily laadden snel en geluidloos een nieuwe pijl in de pijp, onderwijl uitsluitend met handgebaren communicerend.

Onder de hut lagen drie berenjongen van net een jaar oud, diep in slaap sinds afgelopen november. Ze moesten kort worden verdoofd om ze te kunnen voorzien van halsbandzenders, voordat ze door de komst van het voorjaar het bos in zouden worden gedreven om daar een bestaan als wilde beer te beginnen. Daarmee zouden ze voor altijd uit het zicht van het berenopvangcentrum van het IFAW verdwijnen. In dit centrum hadden ze hun eerste levensjaar doorgebracht, met flesvoeding grootgebracht, met zoveel liefde en zorg als een mens maar kan bieden aan een weesbeertje dat eigenlijk in het wild had moeten opgroeien.

Al mijn zintuigen waren gericht op de jonge dieren onder de hut. Hoewel we ze niet konden zien, was hun angst voelbaar. Hoe geluidloos we ons ook probeerden te bewegen, we wisten dat ze elk geritsel van onze kleding en elke voetstap in de sneeuw konden horen. Ze voelden de aanwezigheid van andere levende, ademende wezens dichtbij. En dan de geuren! Het geuronderscheidend vermogen van beren is net zo scherp als het zicht van een uil, die vanaf een hoogte van 100 meter kan zien of er zich onder de sneeuw een muis beweegt. Wanneer mensen zo dicht naderen als hier, komen hun geuren bij deze beren overdonderend sterk binnen.

De berenjongen zijn tijdens het opgroeien schuw gebleven tegenover mensen en hebben geleerd mensen te beschouwen als wezens die je maar beter kunt mijden. Juist dat element is een cruciaal onderdeel van de Pazhetnov rehabilitatiemethode die wordt toegepast in het centrum. Beren beschikken over een unieke intelligentie die het, in combinatie met hun fenomenale verkenningsvaardigheden en uitzonderlijk groot leervermogen, erg moeilijk maakt om weesbeertjes groot te brengen zonder dat ze gewend raken aan mensen. Wie een beer laat wennen aan mensen, tekent meteen ook zijn doodvonnis. Beren die niet bang zijn voor mensen, zoeken boerderijen en dorpen op om voedsel te zoeken en dat betekent onveranderlijk hun einde.

De beer is het meest altriciale zoogdier dat er bestaat, met uitzondering van buideldieren. Dit houdt in, dat hun pasgeboren jongen het kleinst zijn in verhouding tot de volwassen dieren en fysiek het meest hulpeloos zijn. Hun nakomelingen worden geboren als minuscule foetussen en zijn lange tijd afhankelijk van hun moeder voor hun voeding, immuniteit tegen ziekten, sociale ontwikkeling, fysieke ontwikkeling en bescherming tegen roofdieren.

Weesbeertjes van nog maar een paar dagen oud tijdens het eerste jaar op laten groeien tot sterke beren die zowel fysiek als in gedrag klaar zijn voor een leven in het wild, staat bijna gelijk aan een wonder. Het ontwikkelen van de hiervoor benodigde methoden is een van de meest opmerkelijke prestaties in het leven van professor Valentin Pazhetnov, die het centrum zo’n 25 jaar en bijna 200 berenjongen geleden oprichtte.

De jacht op beren tijdens de winterslaap heeft er tot nu toe elk jaar voor gezorgd dat de opvangcapaciteit van de Pazhetnovs maximaal werd benut. Voor elk beertje dat werd gered, stierven er waarschijnlijk honderden de honger- of bevriezingsdood, nadat hun moeder vlak voor hun hol was doodgeschoten.

Een nog gruwelijker lot wachtte die jongen die uit de holen werden gehaald en aan dierentuinen en circussen werden verkocht. De niet aflatende inspanningen van de Pazhetnovs, het IFAW en andere natuurbeschermers in Rusland hebben uiteindelijk geleid tot een officieel verbod van deze barbaarse 'winterslaapjacht'.

De toenemende vraag vanuit Azië naar lichaamsdelen van beren en andere producten van wilde dieren voedt echter de illegale handel, die op zijn beurt weer stropers aanmoedigt. Helaas hoeven de Pazhetnovs, die inmiddels toe zijn aan hun derde generatie geredde beertjes, de komende lange Russische winters nog niet te rekenen op veel slaap.

De piepkleine beertjes zijn hulpeloos en zwak als ze bij het centrum binnenkomen en hebben 24 uur per dag zorg nodig, die ze anders van hun moeder gekregen zouden hebben. Elke korte dag en elke lange, ijskoude nacht, beweegt het licht van een zaklamp zich over de sneeuw naar het geïmproviseerde ‘hol’ van de jongen.

Binnen is het warm en donker, en ruikt het naar babybeertjes en warme melk. De berenverzorgers dragen kleding en handschoenen die naar beer ruiken, en kappen over hun hoofd, en ze spreken nooit ook maar één woord mensentaal in de nabijheid van de beren. De beren mogen op geen enkele manier leren dat voedsel afkomstig is van iets dat klinkt, ruikt of eruit ziet als een mens.

Door de jaren heen heeft professor Pazhetnov een dieet samengesteld voor de verschillende groeistadia van een berenjong – van flesvoeding voor de babybeertjes, tot het moment waarop ze extra vet moeten opslaan voorafgaand aan de herfst. In de berenkeuken gaat het licht om 5 uur ’s morgens aan, vroeg in de vrieskoude ochtend, als professor Pazhetnov of zijn vrouw, Svetlana, babypap koken met verse melk, die nog warm is van de koe van de buren.

In het jonge beertjeshuis piepen de jongen vol ongeduld en buitelen ze in afwachting van hun eten over elkaar heen. Nu, begin april, zijn ze stevig en erg sterk, en zijn ze inmiddels uitgegroeid tot zeer lenige klimmers. Het is vrijwel onmogelijk om enige orde te ontdekken in die dringende kluwen van neuzen, ledematen en oren. Op twee na hebben nu alle jongen geleerd uit een kom te drinken, wat een bijzonder kliederige aangelegenheid is. Het valt niet mee om je lachen in te houden als je al die ronde berenkopjes ziet met omhoog gestoken snuitjes vol melk en ontbijtgranen.

Sommige jongen concentreren zich op hun eigen kom; andere gaan van kom naar kom, waarbij ze zich door een woud van poten worstelen en tegen andere berenlijven aanbotsen, en uiteindelijk meer pap op hun vacht hebben dan ze binnenkrijgen. Er zijn drie mensen nodig om alles onder controle te houden en te zorgen dat elk beertje zijn deel krijgt. Als alle buikjes zijn gevuld, worden de jongen schoongeveegd met schone katoenen handdoeken (gewassen zonder wasmiddel) en twee aan twee in boxen gezet om ze te laten kalmeren, of in een speelren waarin ze op en rond een speeltoestel van boomstammen kunnen ravotten.

Hun menselijke verzorgers kunnen zorgen voor voedsel, warmte, beschutting en andere beertjes als gezelschap – bijna alles wat een berenjong nodig heeft. Bijna alles: want niets kan hun moeder vervangen. Zuigen is een sterk aanwezige behoefte bij alle babyzoogdieren, en geen zuigfles kan die behoefte helemaal bevredigen.

Zoals de meeste zoogdieren zonder moeder, zuigen deze berenjongen op elkaars oren om die behoefte te bevredigen. Tijdens het zuigen produceren ze een diepe, resonerende brom, die je bijna kunt voelen voordat je hem hoort. Door mensen grootgebrachte beertjes zuigen nog lang nadat ze volwassen zijn geworden bij elkaar of op hun eigen poten, waarbij ze steeds dat kenmerkend gebrom produceren. Hieraan is direct te zien dat een bepaalde beer zonder zijn moeder is opgegroeid. Na elke voeding sluipen de verzorgers het verblijf uit en dimmen ze het licht, terwijl op de achtergrond het gebrom klinkt van de naar hun moeder hunkerende beertjes.

In het voorjaar worden de jonge beertjes uit hun ‘hol’ gelaten, in een groot met hout omheind verblijf, waar ze net als gewone berenjongen kunnen ontdekken, klimmen, foerageren, zwemmen en spelen. Ze groeien snel en als de herfst aanbreekt, zijn ze dik en rond en klaar voor hun eerste winter. De meeste beren in het centrum worden in de herfst in het bos vrijgelaten om hun eigen winterhol te maken. Twee of drie overwinteren er onder het binnenverblijf, zodat ze een zender omgehangen kunnen krijgen voordat ze in het voorjaar het bos in trekken. Via de satellietzender aan hun halsband kunnen de medewerkers de jongen volgen, zodat we weten hoe het met ze gaat, waar ze heen gaan, of ze uit de buurt blijven van mensen en, uiteindelijk, of de vrouwtjes erin slagen een eigen gezin te stichten. Op deze manier verzamelen we uiterst belangrijke informatie over de manier waarop bruine beren leven in de Russische wildernis. Daarnaast is het ook heel belangrijk dat we zo een beeld krijgen van de effectiviteit van de door het centrum toegepaste rehabilitatiemethoden voor weesbeertjes.

Het videonieuwsbericht van RT.com over het berenrehabilitatiecentrum van het IFAW.

Sergeys tweede pijl treft doel, en dan klinkt er een tweede brul, en een derde. Acht oneindig lange minuten wachten we met ingehouden adem. Dr. Ian Robinson, directeur van IFAW’s Noodhulpprogramma, dat het centrum al 15 jaar steunt, noteert de tijden en doseringen van de verdovende pijltjes in zijn notitieboek.

Ik raak de stethoscoop rond mijn nek aan als een talisman. Ik heb al honderden beren verdoofd, maar het voelt elke keer weer bijna net als de eerste keer: een andere beer, een ander risico, zoveel dingen die fout kunnen gaan, één kostbaar leven. En we zijn niet in een kliniek, voorzien van alle mogelijke apparatuur en medicatie: we zijn in een bos met een viskoffer vol eerstehulpartikelen.

En dit zijn eenjarige jongen die bijna vijf maanden lang hebben geslapen en sinds de herfst een derde van hun lichaamsgewicht hebben verloren. Hun stofwisseling is na de winterslaap nog niet volledig op gang. De vitale functies en de snelheid waarmee medicatie wordt opgenomen zijn bij deze beren een groot vraagteken. Op het verdoven van deze beren kun je je met geen enkel theorieboek voorbereiden. Je kunt alleen afgaan op je ervaring, waakzaam blijven en op alles voorbereid zijn.

Als er iets gebeurt, gebeurt ook alles tegelijk.

Sergey springt plotseling door de sneeuw met een slap berenjong in zijn armen. Zodra ze op het zeil is neergelegd, heeft Ian zijn stethoscoop tegen haar borst gedrukt en maak ik haar bek vrij in voorbereiding op het inbrengen van een intubatiesonde. Camera’s zoemen en klikken, en de man van Argos, het bedrijf dat twee gps-zenders beschikbaar heeft gesteld, legt de halsband om de nek.

Twee vrijwilligers meten de beer voor de registratie van morfometrische gegevens. De intubatiesonde is ingebracht en met een koord achter de oren vastgezet, maar ik ben er niet zeker van dat de beer ademt. Ik leg alle activiteiten stil om de buik te kunnen bekijken, en houd een pluk haar voor de opening van de sonde.

“Beweeg, beweeg alsjeblieft, …” smeek ik de pluk haar in stilte.

“Haal adem.”

Dierenarts Ian Robinson van het IFAW (links) en diergeneeskundig adviseur Kati Loeffler (rechts) onderzoeken tijdens het omhangen van de zender de conditie van de beer.

Er gaan seconden voorbij. Niets. Ik blaas in de longen van het jong, haal diep adem, en blaas nog eens. Het hart klopt nog steeds krachtig en regelmatig, de bloeddruk is goed. Kom op, haal adem nu.

Na tien keer blazen wacht ik en we kijken toe: vijf seconden, zeven, tien. Ik haal diep adem om weer in de sonde te blazen, en dan, vullen de longen zich met een diepe zucht uit zichzelf. Bijna laat ik mijn professionele houding varen, en voel ik een overweldigende behoefte om mijn gezicht in die prachtige, naar turf geurende vacht te begraven, en haar zo stevig tegen me aan te klemmen dat ik alle lucht opnieuw uit haar longen druk.

Het tweede jong wordt naar buiten gehaald, een grote jongen. Zijn dosering van de verdoving was relatief lager en hij is niet zo diep in slaap gebracht. Zijn ademhaling is constant, zijn hart slaat langzaam en krachtig. Direct na hem komt het derde jong, een klein vrouwtje. Ze is diep in slaap maar stabiel. Ik breng haar intubatiesonde in, maar we zijn een derde koord om hem op zijn plaats te houden verloren. Terwijl ik zoekend om me heen kijk, heeft een vrijwilliger al een veter uit zijn laars getrokken en naar mij toe gegooid. Hij houdt het eerste vrouwtje in de gaten, terwijl Ian en ik druk bezig zijn met de andere twee.

Zijn veterloze laars zit al snel vol sneeuw, maar hij gaat volledig op in de kleine beer, en zou het waarschijnlijk zelfs niet gemerkt hebben als hij op blote voeten had gestaan. Het zeil is een warboel van mensenarmen- en benen, gedempte stemmen en cameralenzen. Maar alles wat ik zie, zijn zachte buiken die op en neer gaan, roze tandvlees, krachtige hartslagen, en de kleinste onregelmatigheden. Noodmedicatie ligt binnen handbereik, injectienaalden in mijn zakken, doseringen voor medicatie paraat in mijn hoofd. Ian noteert vitale functies in zijn notitieboek. Het is een vochtig boekje, vol inktvlekken, dat op één knie wordt ingevuld, maar alle gegevens staan er in.

Eindelijk zijn alle gegevens verzameld en alle halsbandzenders omgehangen. Ik spuit bij elk berenjong het middel in dat de verdoving weer moet opheffen. Sergey stuurt ons allemaal achter het hek, waar we op veilige afstand toekijken hoe de beren wakker worden.

De grote jongen tilt als eerste zijn kop op en likt langs zijn bek alsof hij ontwaakt na een wilde Russische nacht met iets teveel wodka. Het duurt niet lang voordat hij door de zachte sneeuw begint te wankelen, vastbesloten om de nevel in zijn kop van zich af te schudden. Het grootste vrouwtje volgt al snel. Het mannetje loopt een stukje weg, maar gaat dan terug naar het kleinste vrouwtje dat nog diep in slaap is.

Dan gaat hij naar het andere vrouwtje, alsof hij wil kijken of alles goed is met haar, en vervolgens weer terug naar het kleintje. Ze ligt zo stil dat ik het niet langer houd, en ik smeek Sergey om me bij haar te laten om haar toestand te controleren. Hij loopt met me mee en schudt wat aan haar. Dan keren we haar om en begint ze met haar ogen te knipperen en te likken. Sergey en ik lachen naar elkaar en gaan terug naar onze post achter het hek. Het mannetje was helemaal niet blij met onze bemoeienis en drukte zich brommend tegen het andere vrouwtje aan.

Toen controleerde hij nogmaals zijn kleine zusje. Ze maakte het goed en richtte zich langzaam op. Sergey gebaarde naar ons dat we moesten meekomen, het pad op.

Tijd om te gaan.

De zon voelt nu warm aan, de sneeuw is zacht onder onze voeten.

Het vocht dringt door de zolen van mijn Russische vilten laarzen. De lente is begonnen, net als de reis van drie eenjarige bruine beren die op het punt staan het grote Tver woud in te trekken.

--KL

Post a comment

Deskundigen

Programma Adviseur
Programma Adviseur
Brian Sharp, Leider Noodhulpacties en strandingscoördinator
Leider Noodhulpacties en strandingscoördinator
Dr. Ian Robinson, Vicepresident en Hoofd Programma's en Internationale Operaties
Vicepresident en Hoofd Programma's en Internationale Operaties
Katie Moore, Hoofd Programma Noodhulp
Hoofd Programma Noodhulp
Hoofd Noodhulpteam
Vivek Menon, regiodirecteur Zuid-Azië
Regiodirecteur Zuid-Azië