Japan: een jaar na de ramp - de walvisjacht stoppen en proberen het tij te keren

Het Japanse keizerlijk paleis in het stadscentrum van Tokio.

De afgelopen week liet ik te midden van de onafgebroken media-aandacht voor de verjaardag van 11 maart – een afschuwelijke dag die zowel het fysieke als het psychologische landschap van het moderne Japan voorgoed veranderde – mijn gedachten gaan over de walvissen, de golfbewegingen van de geschiedenis, de keizer, en een bekende Deen.

De cijfers zijn inmiddels vertrouwd, maar nog altijd even verbijsterend: meer dan 19.000 doden, 30.000 mensen die nog steeds dakloos zijn, en verdriet en ellende voor nog vele anderen, en de kosten voor heropbouw die worden geschat op 227.000.000.000 euro.  Onder al die verpletterende feiten, ver onder de oppervlakte, zijn de effecten op de Japanse psyche – zoals de psyche zelf - subtieler. Hoe groot die diep verborgen schade is, zal pas veel later blijken.

In The Enigma of Japanese Power, zijn meesterwerk dat een kwart eeuw geleden werd gepubliceerd, beschreef de Deense socioloog Karel van Wolferen het griezelige vermogen van de Japanners om op hetzelfde moment een aantal volledig verschillende versies van de realiteit in hun hoofd te hebben. Veel van mijn Japanse vrienden en westerse mede-Japanliefhebbers hebben van Wolferen geciteerd als iemand die de Japanse denkwijze “echt snapt”. 

De Japanners wijken op een belangrijk punt af van hun weinig verfijnde, rondogige tegenhangers zoals ik. Volgens van Wolferen wisselen ze moeiteloos tussen tatamae, de geaccepteerde, waarneembare realiteit aan de oppervlakte, die bestaat uit wat zich zichtbaar afspeelt, en honne, de diepere realiteit onder de oppervlakte, waar zich de innerlijke gevoelens bevinden die binnen de Japanse maatschappij zelden worden geuit, en al helemaal nooit tegenover vreemden of buitenlanders. Binnen de Japanse psyche kunnen tegengestelde stromen van tatamae en honne naast elkaar bestaan, zonder de botsingen of innerlijke conflicten die wij als minder subtiele westerlingen zouden verwachten.

Toen ik het afgelopen jaar het Tokio van na de tsunami bezocht, werd ik nog eens aan deze tweedeling herinnerd. 

Op zaterdagochtend 17 december verliet ik het Hotel Monterey in Akasaka voor een lange ochtendlijke hardlooptraining. Soepel daalde ik af langs de Japanse Parlementsgebouwen en het Nationale Theater en begon ik aan een eerste, rustige ronde rond Kōkyo, de Keizerlijke Residentie van de Keizer en Keizerin van Japan, gelegen op een wonderschoon eiland midden in Tokio. 

Op het hoogtepunt van de vastgoedbubbel in Tokio eind jaren tachtig schatten sommigen de waarde van deze met grachten omringde paleisterreinen op meer dan de gezamenlijke waarde van al het vastgoed in de Amerikaanse staat California.  

De periode in de jaren tachtig en negentig toen de bomen voor de beleggers tot in de hemel groeiden, is inmiddels een lang vervlogen herinnering, maar de binnenstad van Tokio heeft zich in de twaalf maanden sinds 11 maart absoluut herpakt. In schril contrast met de steden aan de kust die ik heb bezocht, ervaar ik een bezoek aan de Japanse hoofdstad niet wezenlijk anders dan een jaar geleden. Het enige verschil is dat er mensen rondlopen met geigertellers. Toen ik dat zag, realiseerde ik me hoe veilig ik me altijd heb gevoeld op mijn reizen door Japan, en hoe diep het fundamentele vertrouwen van het Japanse volk moet zijn geschokt.

Met alleen een iPhone aan mijn hardloopgordel belandde ik die zonnige zaterdagmorgen halverwege mijn eerste vijf kilometerronde rond de keizerlijke grachten plotseling middenin een stroom mensen die in tegengestelde richting liepen. 

Eindeloze rijen Japanse hardlopers met deelnamenummers doemden voor me op en stroomden voorbij. Voorop de fitste, snelle lopers, gevolgd door enorme massa’s, en vervolgens honderden tragere, meer gematigde lopers. Maar geen van hen was zo dik als de eenzame gaijin jogger die de verkeerde kant op liep.   

Blijkbaar had ik onbewust gekozen voor een route die recht inging tegen Tokio’s laatste grote hardloopwedstrijd over de weg van het jaar.

In de twee decennia dat het IFAW actief is in Japan, hebben we gezien hoe toegewijde groepen en individuen in het land zelf belangrijke stappen hebben gezet, en zich hebben ingezet voor een zo snel mogelijk einde aan de Japanse walvisjacht. 

Sommigen kiezen een rechtstreekse confrontatie, zoals de Sea Shepherd Conservation Society. De gedachte achter deze benadering is dat de Japanse regering door het opvoeren van de diplomatieke en juridische druk van buitenaf en het voeren van directe acties uiteindelijk gedwongen kan worden het misplaatste walvisbeleid van het land te herzien. 

Anderen kozen voor een minder directe confrontatie, zoals de “Twee van Tokio” van Greenpeace Japan – Junichi Sato en Toru Suzuki, die onder grote mediabelangstelling door een binnenlandse rechtbank werden berecht voor hun bemoeienis met het door de overheid gesteunde walvisprogramma.  

Hoe je ook over ze denkt, de Sea Shepherds hebben geholpen de walvisvaart terug onder de aandacht van de internationale media te brengen. En Greenpeacemedewerkers Sato en Suzuki, die werden vastgehouden en veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen, hebben de pro-walvis- en anti-walvisvaartbeweging een duidelijk Japans gezicht gegeven, en geholpen nieuwe argumenten te introduceren in het Japanse publieke debat. 

In dezelfde periode koos het IFAW voor een tweesporenstrategie: samenwerking met walvisvriendelijke regeringen, wetenschappers en anderen bij de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) en binnen andere forums om de druk van buitenaf op te voeren, en tegelijkertijd steun geven aan positieve, steeds krachtiger bewegingen in Japan zelf.

In het openbaar en onder de nieuwsradar werkt het IFAW samen met een groeiend aantal Japanse wetenschappers, politici, zakenmensen, media en vooraanstaande burgers, die oproepen tot herziening van de Japanse walvisjachtactiviteiten. 

We hebben in het bijzonder aandacht besteed aan ondersteuning van de Japanse aanbieders van walvis- en dolfijnenexcursies, een steeds nadrukkelijker aanwezige groep kiezers in kustgemeenschappen van Hokkaido tot Okinawa, die zich steeds meer laat horen. 

De onontkoombare realiteit: Japans binnenlandse vraag naar walvisvlees is – net als in IJsland en Noorwegen – volledig in een vrije val geraakt.

Na de tsunami koesterde een aantal mensen binnen en buiten Japan die de situatie al sinds lange tijd volgen, de hoop dat de verschuiving in overheidsprioriteiten, in combinatie met de economische druk van de wederopbouw langs Japans verwoeste kust, de terugtrekking van de grote natie uit de walvisoorlogen zou bespoedigen. 

Desondanks zijn bureaucraten die zich diep in de krochten van het Japanse Visserijagentschap hebben verschanst, buiten het zicht gewoon doorgegaan met de lobby voor voortzetting van de Japanse walvisjachtactiviteiten in de kustgebieden en op open zee. Ze hebben zelfs tientallen miljoenen uit de wederopbouwfondsen voor de tsunamischade weten te bemachtigen voor de financiering van de meest recente schaamteloze strooptocht van de Japanse walvisvloot in het walvisreservaat in de Zuidelijke IJszee rond Antarctica. 

Hoewel het Japanse volk al lang geen trek meer lijkt te hebben in walvisvlees, blijft de Japanse regering steeds meer geld in de walvisvaart pompen.

Dit jaar keren verwerkingsschip Nishin Maru en de rest van de Japanse walvisvloot van hun slachtpartij in het walvisreservaat terug met wat minder dan een derde lijkt van hun zelf toegewezen “wetenschappelijke” quota aan walvissen aan boord. Misschien zijn er minder walvissen te vangen in Antarctica dan het Visserijagentschap altijd beweert, of misschien hebben die hinderlijke piraten toch effect, al zullen ze dat nooit toegeven.

Uiteindelijk zal er een einde komen aan de Japanse, IJslandse en Noorse walvisjacht. Niet als gevolg van internationale druk, die desondanks een belangrijke rol speelt, maar om binnenlandse redenen.

Hoe graag wij walvisvrienden het ook zouden willen, het besluit om uiteindelijk met de commerciële walvisjacht te stoppen, zal niet vallen binnen de arena van de IWC (waar dit strikt genomen al gebeurd is), of in Londen, Canberra, Wellington of Washington. Het besluit om eindelijk te stoppen met deze walvisjacht zal worden genomen in Tokio, Reykjavik en Oslo – door Japanse, IJslandse en Noorse besluitvormers, op grond van redenen die voor hen overtuigend zijn.

In het geval van Japan is dat moment waarop de economische en politieke realiteit samen zullen vallen, nu zeker dichterbij dan 12 maanden geleden. Zuurverdiend geld van de belastingbetaler in de achterhaalde, zwaar gesubsidieerde walvisindustrie blijven pompen is nu na de tsunami nog moeilijker uit te leggen dan het al was. 

Het politieke tumult in de nasleep van de ramp met de kerncentrale in Fukushima, ook deze week in de internationale media, zou ook wel eens premier Noda (voorstander van de walvisvaart) en zijn kabinet fataal kunnen worden, net zoals zijn voorganger eerder overkwam. Levensgevaarlijke politieke onderstromingen en stijgende onrust onder Japanse belastingbetalers, die belastingverhogingen zien aankomen ter financiering van de loodzware herstelkosten na de drievoudige ramp van vorig jaar, zouden weleens kunnen leiden tot een politieke aardverschuiving in het land. 

Daar dacht ik allemaal over na terwijl ik eind vorig jaar op die zonnige zaterdagochtend voort zwoegde. Nadat ik me nog een aantal kilometers tussen joggende Japanse belastingbetalers door had geworsteld, besloot ik om te keren en me mijn laatste twee rondes rond het paleis mee te laten voeren op de stroom van de vriendelijke menigte om mij heen.  

Ondertussen, terwijl ik moeizaam langs het Nationaal Theater terug de heuvel op strompelde naar mijn hotel, realiseerde ik me dat het Japanse volk, dat zich in het verleden wonderbaarlijk veerkrachtig heeft getoond, ook dit keer weer met de situatie zal weten om te gaan. De Japanse gemeenschap zal er uiteindelijk weer bovenop komen. En dat herstel zal wellicht als positief bijeffect hebben dat hun gekozen regering zich zal neerleggen bij de realiteit die zich wereldwijd opdringt – internationale consensus over walvisbescherming in de eenentwintigste eeuw.

 Er is een tij in al wat de mens doet,

Dat, met de vloed bezeild, naar het geluk leidt.

Eenmaal verzuimd, blijft heel de levensreis belemmerd door ondiepten en gevaren.

Op zo een volle zee drijven wij nu.

En we moeten de stroom volgen zoals die zich aandient, of onze inzet verliezen.

 --William Shakespeare

--PR

Post a comment

Deskundigen

Dr. Maria (Masha) N. Vorontsova, Regiodirecteur Rusland en GOS
Regiodirecteur Rusland en GOS
Dr. Ralf (Perry) Sonntag, Directeur Duitsland
Directeur Duitsland
IFAW-vertegenwoordiger Japan
IFAW-vertegenwoordiger Japan
Patrick Ramage, Hoofd Programma Walvissen
Hoofd Programma Walvissen