Successen zeehonden– en walvissencampagnes gunstig voor volgende generatie (Deel 1)

Na tientallen jaren campagne voeren hebben we bij het International Fund for Animal Welfare in korte tijd successen voor zowel walvissen als zeehonden geboekt, dankzij de uitspraken van respectievelijk het Internationaal Gerechtshof en de Wereldhandelsorganisatie. 

Achteraf gezien valt het ons op dat campagnes, die overigens onafhankelijk van elkaar werden gevoerd, door de jaren heen een vergelijkbaar verloop hebben gekend.

Dit is het eerste deel van een tweedelige serie waarin we de dynamiek van twee historische campagnes belichten.

§

Voor het eerst in honderd jaar tijd worden walvissen in de Zuidelijke IJszee met rust gelaten

Om langdurig campagne te kunnen voeren tegen misstanden op het gebied van dierenwelzijn, zoals onze niet aflatende strijd tegen de commerciële walvisjacht en onze onophoudelijke kruistocht tegen de Canadese zeehondenjacht, moet het IFAW bereid zijn om op diverse terreinen strijd te leveren: op plaatsen waar de publieke opinie wordt gevormd, maar ook in de gerechtshoven; op de ‘marktplaats van ideeën’, maar ook op de concrete consumentenmarkt.

Toen het IFAW met die campagnes begon, hadden we geen draaiboek om tientallen jaren actie te voeren. Als de omstandigheden veranderden, bewogen wij mee. Gedreven door onze toewijding en passie voor het goede doel zijn we geen uitdaging uit de weg gegaan.

45 Jaar geleden waagde IFAW-oprichter Brian Davies zich met enkele andere dappere mannen op de ijsvlakten van Canada om de bloederige en weerzinwekkende realiteit van de zeehondenjacht op foto en film vast te leggen. Enkele vooraanstaande kranten maakten het verhaal wereldkundig, waaronder Paris Match en een paar Britse tabloids, die de eerste foto’s op hun voorpagina aan een internationaal publiek toonden.

Er volgden ondubbelzinnige reacties op de confronterende beelden, zij het op beperkte schaal:  in 1969 werd nieuws nog lang niet zo snel gedeeld als nu via de sociale media. Maar Brian en zijn kameraden hielden vol. Brian besefte dat er meer mensen naar het ijs moesten om meer media-aandacht te genereren. Hij ging beroemdheden uitnodigen en internationale politici, en toen hij een keer vond dat het tijd was om hernieuwde aandacht op de jacht te vestigen, nodigde hij een groep stewardessen uit.

Tien jaren gingen voorbij.

Over de hele wereld kreeg de zeehondenjacht steeds meer aandacht. Maar bracht Brians campagne het einde van de slachtingen eigenlijk wel dichterbij, afgezien van de publieke verontwaardiging die het gevolg was? Terwijl in Amerika de wet op de bescherming van zeezoogdieren de binnenlandse handel in 1972 stillegde, floreerde in Europa de markt voor zeehondenhuiden.

Lees ook: Importverbod EU op zeehondenproducten behouden

Brian wist dat hij pas succes zou kunnen hebben als hij politici in Europa ervan zou weten te overtuigen dat de import door Europese landen verboden moest worden. De grootste gunst die de Canadese regering ooit aan Brian heeft bewezen, was het intrekken van zijn vergunning om het ijs op te gaan.  Toen ze dat hadden gedaan, verruilde Brian zijn overlevingspakken voor pakken van tweed en polyester en verlegde hij zijn koers naar de toenmalige Europese Gemeenschap.

Brian was bekend met de dynamiek van militaire strategie. Hij wist dat een zege niet noodzakelijk door pure kracht wordt behaald, maar door te zoeken naar verborgen zwakke plekken en daar gebruik van te maken. Toen Canadese overheidsfunctionarissen bij de EG getuigden inzake de handel in zeehondenproducten, zat Brian achter in de zaal en was hij er als de kippen bij om de zwakten in hun argumentatie te ontmaskeren.

In 1983 besloot de Europese Gemeenschap uiteindelijk tot een importverbod voor huiden, vlees en andere producten van zogenaamde ‘whitecoats’, pasgeboren zadelrobben, en van ‘bluebacks’, pasgeboren klapmutsen. Dat was weliswaar niet helemaal waar Brian op had gehoopt, maar hij accepteerde het. Vier jaar later verbood de Canadese overheid de commerciële jacht op deze dieren in Canadese wateren.

Op dat moment was het een overwinning, maar er was nog genoeg werk te doen.

§

Honderden jaren geleden bevoeren schepen alle wereldzeeën op jacht naar walvissen, want hun vet werd in die tijd als lampolie gebruikt. De kustplaatsen New Bedford en Nantucket, toevalligerwijze op korte afstand van ons hoofdkantoor op Cape Cod, liepen hierbij voorop. Maar met de komst van vele alternatieve brandstoffen en het elektriciteitsnet ging het bergafwaarts met deze bedrijfstak en tegen het midden van de twintigste eeuw hadden de meeste landen deze praktijk – of wat er van over was – voorgoed vaarwel gezegd. Toen de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) in 1986 een verbod op de commerciële walvisjacht instelde, legden alle landen zich daarbij neer, op drie landen na.

Acht jaar later leidde het IFAW internationale inspanningen om een walvisreservaat in de Zuidelijke IJszee in te stellen. Maar Japan wilde niets weten van veilige wateren en bleef walvissen doden onder het mom van wetenschap. Ook de meer dan 30 resoluties van de IWC waarin de jacht door Japan scherp werd bekritiseerd, hadden geen effect. Sinds het wereldwijde moratorium op de commerciële walvisjacht van kracht werd, heeft Japan uit naam van de wetenschap zeker 14.000 walvissen gedood. In verreweg de meeste gevallen was dat in de Zuidelijke IJszee.

In de twee decennia daarna bleef er van de markt voor walvisvlees bijna niets over, maar de drie walvisvarende landen volhardden in hun praktijken. In 2007, tijdens de vergadering van de Internationale Walvisvaartcommissie in Alaska, zette een subcommissie helder uiteen welke juridische instrumenten de Australische overheid ten dienste staan om Japan van de jacht op walvissen in de Zuidelijke IJszee – onder welke dekmantel ook – te weerhouden.

Dat bood het IFAW een mooie gelegenheid.

Tussen 2006 en 2009 brachten we vier internationale panels met juridische experts bijeen, die concludeerden dat er voldoende gronden waren om de zaak voor de rechter te brengen. Dit inspireerde Australië ertoe om Japan bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag aan te klagen. Nooit eerder was bij dit gerechtshof een zaak aanhangig gemaakt waarbij de bescherming van de natuur of het milieu inzet was.

Terwijl Australische overheidsvertegenwoordigers vorig jaar zomer in Den Haag hun pleidooien hielden, leverde de lobby tegen de handel in walvisvlees intussen tastbare successen op.

Rotterdam liet weten niets van doen te willen hebben met de handel in walvisvlees, toen dit vlees in containers van de IJslandse vervoerder Samskip werd aangetroffen.

De havenautoriteit van Hamburg reageerde op dezelfde wijze op de ontdekking van walvisvlees tussen scheepslading. De containers werden naar IJsland teruggestuurd, maar dat zou naar verluidt de enige nog actieve IJslandse walvisjager, Kristjan Loftsson, er niet van weerhouden om walvissen te blijven doden, ondanks het feit dat hij geen transportmogelijkheden meer lijkt te hebben.

Op 31 maart 2014 wachtten Patrick Ramage, hoofd van ons Walvisprogramma , en de gerenommeerde walviskenner Vassili Papastavrou op de tribune van het Internationaal Gerechtshof geduldig de uitspraak af.

 

Even na tienen ‘s ochtends kwam de bevrijdende tweet. Bijna vier jaar nadat het IFAW de Australische overheid had aangemoedigd een proces tegen Japan bij het Internationaal Gerechtshof aan te spannen, en bijna 30 jaar na het van kracht worden van het eerste moratorium op de walvisjacht, bleken we nu ook deze slag te hebben gewonnen.

Maar net zo min als de eerder genoemde overwinning voor zeehonden het einde van de campagne betekende, is met dit succes de campagne voor walvissen ten einde.

-- AD

Deel twee, dat morgen wordt gepubliceerd, besteedt aandacht aan de zeehondencampagne sinds 1983 en aan de plannen die het IFAW heeft met de walviscampagne.

Post a comment

Deskundigen

Dr. Ralf (Perry) Sonntag, Directeur Duitsland
Directeur Duitsland
Sheryl Fink, Hoofd Wildlifecampagnes, IFAW Canada
Hoofd Wildlifecampagnes, IFAW Canada
Sonja Van Tichelen
Regiodirecteur Europese Unie