Grijze walvissen zijn niet zo kolossaal als de noordkaper, de zuidkaper en de Groenlandse walvis, maar groter dan de noordse vinvis, gewone vinvis, Bryde's vinvis en dwergvinvis. De kop is van bovenaf gezien driehoekig van vorm en de bovenkaak is licht gekromd vergeleken met de kaaklijn van de noord- en zuidkaper en de Groenlandse walvis. De borstvinnen zijn breed en spatelvormig. De grijze walvis heeft net als de noord- en zuidkaper geen rugvin, maar heeft op ongeveer tweederde van zijn rug, gemeten vanaf de kop, wel een bult, gevolgd door een reeks kleinere "knokkels" op de staartwortel.
Grijze walvissen worden 11 tot 15 meter lang en wegen maximaal 35 ton. Zoals de naam al aangeeft, zijn volwassen dieren bruingrijs tot lichtgrijs. Het lichaam is bedekt met lichte vlekken en witte of oranje plekken met walvisluizen en zeepokken.
Kalveren zijn bij de geboorte donkergrijs van kleur en vier tot vijf meter lang, met een gewicht tot 500 kilo. Kalveren worden gezoogd tot ze ongeveer zeven maanden oud zijn. | Natuurlijke geschiedenis | De grijze walvis leeft in ondiepe wateren langs de rand van continentale platen en is hoofdzakelijk een kustsoort. Er zijn twee groepen grijze walvissen in de noordelijke Stille Oceaan; de Noordoostelijke Pacifische (oostelijke) of Californische populatie, en de Noordwestelijke Pacifische (westelijke) populatie, ook wel bekend als de Koreaanse of Aziatische populatie.
De Noordwestelijke Pacifische populatie werd door intensieve jacht op de rand van uitsterven gebracht en is ook nu nog sterk uitgedund, met niet meer dan 50 dieren in de vruchtbare leeftijd. De belangrijkste paar- en geboortegronden van deze resterende populatie liggen vermoedelijk in de kustwateren van de Zuid-Chinese Zee, en de zomerse voedselgronden in de Zee van Okhotsk, bij het eiland Sachalin voor de oostkust van Rusland.
De Noordoostelijke Pacifische populatie brengt zijn jongen ter wereld in de lagunes van Baja California, Mexico, om vervolgens afstanden tot wel 18.000 kilometer af te leggen naar voedselgronden in de Beringzee, de Tsjoektsjen Zee en de Beaufortzee.
Een populatie grijze walvissen die ooit in de Noordelijke Atlantische Oceaan leefde, stierf al in de 17e eeuw uit als gevolg van de jacht.
Grijze walvissen voeden zich in ondiepe wateren langs continentale platen of in de buurt van zeebanken uit de kust. De manier waarop de grijze walvis zich voedt, wijkt af van die van andere baleinwalvissen. Ze rollen zich op hun zij en woelen de bodem om, waarbij ze meestal aasgarnalen en vlokreeftjes opzuigen, maar ook rode krabben, aasvissen of ander voedsel dat zij daar aantreffen. Waar grijze walvissen foerageren, zijn in het water soms modderwolken te zien.
In 1973 werd de Noordoostelijke Pacifische populatie grijze walvissen opgenomen in de Amerikaanse Endangered Species Act (ESA). In 1994 werd deze populatie weer van de lijst afgehaald, toen de populatie geschat werd op 22.000 exemplaren. Vóór de walvisjacht werd de omvang van beide populaties in de noordelijke Stille Oceaan geschat op ongeveer 30.000 exemplaren. De westelijke populatie telde in 1900 waarschijnlijk tussen de 1.000 en 1.500 exemplaren, maar was in 1933 vrijwel uitgeroeid. |
|
|
|