Blauwe vinvissen komen in alle wereldzeeën voor.
Zij leggen grote afstanden af van tropische en gematigde wateren, waar de
kalveren geboren worden, naar Arctische en Antarctische wateren, waar ze zich
voeden met vrijwel uitsluitend krill. Blauwe vinvissen blijven gewoonlijk in
open zee, maar komen soms dichter naar de kust om te foerageren en mogelijk ook
om zich voort te
planten. Er worden drie ondersoorten onderscheiden: de "echte" blauwe vinvis, B. m.
musculus, die in het noordelijk deel van de Atlantische en Stille Oceaan leeft;
de kleine blauwe vinvis, B. m. brevicauda, die alleen voorkomt in het
subantarctisch gebied; en B. m. intermedia, de populatie die de zomers
doorbrengt in het Antarctisch gebied.
Blauwe vinvissen worden gewoonlijk
alleen of in tweetallen waargenomen, maar op de voedselgronden worden ook
grotere groepen aangetroffen. Voorafgaand aan een diepe duik, die tussen 10 en
30 minuten kan duren, komen de staartvinnen soms gedeeltelijk boven water. Er
zijn volwassen dieren gezien die geheel uit het water sprongen, maar in de
meeste gevallen betreft het jonge dieren die schuin uit het water springen, in
plaats van loodrecht op het wateroppervlak.
Van de blauwe vinvis zijn
slechts weinig populatiekenmerken bekend. Er wordt aangenomen dat ze met
ongeveer tien jaar geslachtsrijp zijn. Kalveren zouden elke twee tot drie jaar
geboren worden, na een draagtijd van 12 maanden. Ze worden gezoogd tot ze
ongeveer acht maanden oud zijn en kunnen 90 jaar oud worden.
Het is niet
bekend hoe groot de populatie blauwe vinvissen op dit moment werkelijk is, maar
schattingen liggen rond de 5.000. Hoe groot de resterende populatie ook precies
is, zeker is dat deze nog slechts een fractie vormt van de omvang voor de
intensieve jacht op de soort werd ingezet.
|