Er zijn slechts weinig volwassen Hawaïaanse
monniksrobben gemeten of gewogen, en in de beschikbare literatuur worden
wisselende cijfers gegeven. Volwassen vrouwtjes van de Hawaïaanse monniksrob
zouden ca. 2,3 lang kunnen worden en 205 tot 273 kilo wegen. Volwassen mannetjes
zijn iets kleiner, met een lengte tot 2,1 meter en een gewicht van 170 tot 230
kilo.
De rug van de volwassen dieren heeft een zilvergrijze kleur, die op
de keel, borst en buik overgaat in een roomgele kleur. Ook op de rest van het
lichaam komen lichtere vlekken voor. Na verloop van tijd kleurt de vacht op de
rug bruin en op de flanken en buik geel. De mannetjes, maar soms ook de
vrouwtjes, kleuren naarmate ze ouder worden donkerbruin of zwart. Sommige
volwassen Hawaïaanse monniksrobben hebben een rode of groene tint door
algengroei op hun vacht. De pups komen ter wereld met een lange, wollige zwarte
vacht. Bij de geboorte wegen ze ongeveer 14 tot 17 kilo en zijn ze ongeveer een
meter
lang.
| Natuurlijke geschiedenis |
De Hawaïaanse monniksrob leeft op de zandstranden
en in de omringende subtropische wateren van afgelegen eilanden en atollen van
de Noordwestelijke Hawaïaanse Eilanden, ook wel de Leeward Eilanden genoemd:
Kure Atoll, Midway Atoll, Pearl en Hermes Reef, Lisianski Island, Laysan Island,
en French Frigate Shoals. Deze keten van eilanden en atollen strekt zich vanaf
de grootste eilanden van Hawaï in noordwestelijke richting uit over een afstand
van meer dan 2.000 kilometer.
Er leven ook kleine populaties op de
eilanden Necker en Nihoa, hoewel deze eilanden de stranden en ondiepe
kustwateren ontberen waaraan vrouwtjes de voorkeur geven voor het krijgen van
hun pups. Ook leven er enkele dieren rond de grootste eilanden van Hawaï, en
zeer sporadisch zijn er ook monniksrobben gezien op het Johnston
Atol.
Wat we over de natuurlijke geschiedenis van de Hawaïaanse
monniksrobben weten, betreft vooral hun activiteiten aan land; over hun gedrag
of waar ze heen trekken na het verlaten van de kust is maar weinig bekend.
Hawaïaanse monniksrobben leven over het algemeen solitair, zowel aan land als in
het water.
De vrouwtjes bereiken, afhankelijk van het leefgebied, op
vier- tot achtjarige leeftijd seksuele volwassenheid en krijgen per jaar één
pup. De leeftijd waarop de mannetjes geslachtsrijp zijn is niet bekend, maar
aangenomen wordt dat deze hetzelfde is als voor de vrouwtjes. Pups worden het
hele jaar door geboren, maar de meeste geboorten vinden tussen december en half
augustus plaats, met pieken in maart en begin april. De meeste pups worden
geboren op French Frigate Shoals, Laysan Island, Lisianski Island, Pearl en
Hermes Reef en Kure Atoll. Midway Atoll was in het verleden een belangrijke
geboorteplaats, maar werd eind jaren '60 door de monniksrobben verlaten toen het
atol door de Amerikaanse marine werd bezet. Nu de marine het atol heeft
verlaten, wordt het weer ingenomen door de monniksrobben.
Het merendeel
van de Hawaïaanse monniksrobben blijft in het eigen geboortegebied, maar enige
beweging tussen verschillende gebieden is mogelijk. Als ze ongeveer zes weken
oud zijn, ongeveer op het moment dat ze gespeend worden, ontdoen de pups zich
van hun zwarte geboortevacht. De beperkte informatie die bekend is over het
dieet van de monniksrob wijst erop dat deze zich voedt met uiteenlopende soorten
vis, koppotigen (inclusief octopus en pijlinktvis), en schaaldieren (waaronder
kreeften). Hawaïaanse monniksrobben kunnen 20 tot 25 jaar oud
worden.
Door verschillende factoren, zoals de beschikbare ruimte, de
beschikbaarheid van voedsel, en mogelijk ook de omgevingstemperatuur, kwam de
Hawaïaanse monniksrob waarschijnlijk nooit in grote hoeveelheden voor, en moet
de populatie eerder uit duizenden dan uit tien- of honderdduizenden exemplaren
hebben bestaan. De huidige populatie wordt geschat op hoogstens 1.300 tot 1.400
exemplaren. Tussen 1958 en 1996 liepen de gemiddelde tellingen op de stranden
van de belangrijkste zich voortplantende populaties terug met 60 procent. En de
populatie blijft slinken; tussen 1985 en 1996 bedroeg de afname vier procent per
jaar.
| | | |