De Indische griend is een opvallende, middelgrote
walvis. Het dier heeft een lang, slank lichaam, met een dikke, gekielde
staartwortel. De kop is bolrond met een geprononceerd voorhoofd, dat bij
volwassen mannetjes steeds groter wordt en over het rostrum of de snuit heen
hangt. De snuit is klein en onopvallend en de bek is breed en kort, met een
'lachende' uitdrukking.
De rugvin is laag en sikkelvormig, met afgeronde
top, holronde achterrand en een brede basis. De rugvin bevindt zich op een derde
van het lichaam, gemeten van de snuit tot de staart, en kan in vorm variëren,
afhankelijk van geslacht en leeftijd. De staartvinnen lopen uit in een scherpe
punt, met in het midden een diepe inkeping, en een holronde achterrand. De
borstvinnen hebben een licht gekromde voorrand, zonder de meer uitgesproken
elleboogvorm die de borstvin van de gewone griend wel heeft, en ze zijn korter –
minder dan 15% van de lichaamslengte – dan de vinnen van de gewone griend, met
een lengte van meer dan 16% van het lichaam.
De Indische griend is op de
rug en flanken overwegend zwart van kleur, met een vaalwitte kleur rond de
genitaliën en op de buik. Sommige dieren hebben een lichter zadel achter de
rugvin, dat per geografisch gebied kan verschillen (bij Indische grienden in de
Oostelijke Tropische Stille Oceaan ontbreekt bijvoorbeeld het zadel of is het
nauwelijks zichtbaar, hoewel het bij specifieke exemplaren weer groot en
opvallend kan zijn, en het is bij de Indische griend soms opvallender dan bij de
gewone griend). Veel populaties hebben bovendien een opvallende streep die van
achter het oog doorloopt tot de voorrand van de rugvin. Pasgeboren grienden zijn
lichtgrijs tot roomgeel van kleur, met een onduidelijk patroon. Al vroeg in het
eerste levensjaar worden ze donkerder van kleur.
De Indische griend heeft
zeven tot negen puntige tanden in elke kaakhelft - minder tanden dan de gewone
griend.
Onderscheid tussen individuele Indische grienden kan worden
gemaakt op basis van natuurlijk ontstane sporen en littekens op de rugvin en
rug, en de in sommige gevallen ontwikkelde
pigmentpatronen. |
| Natuurlijke geschiedenis |
Indische grienden hebben een sterk ontwikkeld
groepsinstinct en worden dan ook zelden alleen aangetroffen. Groepen variëren in
omvang, tot soms wel enkele honderden dieren, maar ze worden het vaakst
aangetroffen in groepen van 15 tot 30 exemplaren. Deze scholen bestaan uit
volwassen mannetjes en vrouwtjes in elke leeftijds- en voortplantingsfase en
onvolwassen dieren van beide seksen.
Voorlopige onderzoeken lijken erop
te wijzen dat Indische grienden samenleven in stabiele, coherente scholen,
geleid door vrouwtjes. Van de band tussen moeder en kalf wordt aangenomen dat
deze bij mannetjes blijft bestaan tot het bereiken van de geslachtsrijpheid (op
een leeftijd van 15 tot 22 jaar) en bij vrouwtjes mogelijk zelfs tot na het
bereiken van de volwassenheid (7 tot 12 jaar). Oude en niet langer vruchtbare
vrouwtjes spelen een belangrijke rol in de school, en dragen waarschijnlijk bij
aan het voortbestaan en overleven van de jongere dieren in de groep.
De
sterke onderlinge samenhang van de groep blijkt duidelijk uit de frequentie
waarmee de dieren massaal op kusten stranden. Bovendien is de actief bindende
rol van de moeder aanzienlijk.
Sommige vrouwtjes leven na hun vruchtbare
levensjaren nog hoogstens 20 tot 30 jaar (het gemiddelde is 14 jaar), wat heel
ongebruikelijk is bij in het wild levende dieren. Er is bewijs gevonden dat
vrouwtjes die niet langer vruchtbaar zijn, paren zonder voortplantingsdoel, en
langere lactatieperioden kennen. Mogelijk worden hierdoor de stabiliteit van de
school en de kans op een succesvolle voortplanting door vrouwelijke verwanten
vergroot. Er is geen morfologisch bewijs gevonden dat mannetjes van de Indische
griend gevechten aangaan met mannetjes van andere soorten, zoals wel bekend is
van andere soorten, zoals de potvis.
Groepen Indische grienden maken een
goed georganiseerde indruk; tijdens het trekken of het zoeken naar voedsel kan
een groep onderverdeeld zijn in hechte groepjes volwassen mannetjes, onvolwassen
dieren, of vrouwtjes met jong. Er zijn verbanden aangetoond tussen sociaal
gedrag van de dieren en de geluiden die de dieren produceren. Eenvoudige
fluittonen leken te overheersen wanneer meerdere groepen zich apart van elkaar
verplaatsten. Deze fluittonen spelen waarschijnlijk een belangrijke rol bij het
onderhouden van contact en het coördineren van bewegingen tussen dieren
onderling. Meer complexe fluittonen en pulsen werden wargenomen tijdens sociale
interactie tussen grienden of bij sterke opwinding, bijvoorbeeld bij
ontmoetingen tussen twee afzonderlijke groepen. Tijdens rustperioden bleken de
dieren meestal stil te zijn.
Aan het wateroppervlak kunnen grienden zeer
actief zijn – ze steken hun kop boven water, slaan met hun staart op het water,
of springen zelfs helemaal uit het water. De meeste tijd gedragen ze zich hier
echter vrij onopvallend, en ze rijden niet mee op boeggolven van schepen. Als ze
rusten, doen grienden dat samen in groepen, waarbij ze vrijwel bewegingsloos
dicht aan het oppervlak drijven. Rondom rustende groepen zijn volwassen
mannetjes waargenomen, die de wacht hielden.
Indische vrouwtjesgrienden
kunnen 62 jaar worden, mannetjes rond de 45 jaar. Grienden stranden vaak
massaal, met grote groepen tegelijk. Soms jagen orka's en grote haaien op
grienden. | | | | |